de pelgrimage

De terugkeer naar de originele creatiestroom

Als ik terugkijk op mijn leven en carrière, zie ik hoe de afgelopen veertig jaar eigenlijk één grote pelgrimstocht was. Een reis van negen grote onderzoeken, waarin ik steeds een laag dieper afdaalde in mijn eigen leven, mijn geschiedenis én in het collectieve geheugen van de vrouw.


Elk onderzoek bracht me dichter bij de kern van wat ik nu de originele blauwdruk van creatiekracht noem: de oorspronkelijke, heilige levensstroom die niet alleen door vrouwen, maar dóór het hele leven zelf beweegt. 


Hier ontvouwt zich wat deze pelgrimstocht mij heeft geleerd over de originele blauwdruk van creatiekracht.

Het eerste onderzoek - De schepping van de vrouw: de imprint van geloof op de heilige vrouwelijke creatiekracht.

Mijn ziel koos voor ouders die hun eigen geloofstraditie meebrachten: mijn vader christelijk-gereformeerd, mijn moeder rooms-katholiek. Dat betekende twee keer per zondag naar de kerk, bidden voor iedere maaltijd, en een leven waarin God als vanzelfsprekend aanwezig was. Ik kende de geur van geboend hout, het orgel dat als een adem door het gebouw trok, de preekstoel van waaraf werd gesproken in waarheden. Maar ín mij leefde een ander weten. Al als klein meisje dwaalde ik tijdens de preken weg in mijn eigen wereld. Terwijl de dominee over zonde sprak, keek ik naar het licht dat door de glas-in-lood ramen viel en voelde ik dat er iets niet klopte. Alsof die God er niet écht was. Ik stelde dan ook regelmatig de verboden vraag: ‘hoe weet ik dat God écht bestaat?’


In mijn puberteit werd het gevoel dat er iets niet klopte nog verder versterkt. Tijdens de catechisatie stelde ik wederom vragen die niet gesteld mochten worden. ‘Wie zegt dat God een oude man met een baard is?’ riep ik eens uit. ‘Misschien is het wel een geit!’. Het klonk brutaal, maar onder die opstandigheid school een stille schreeuw: help me begrijpen. Die schreeuw werd niet gehoord. Er volgde een reprimande – en ik leerde opnieuw wat veel vrouwen voor mij geleerd hadden: gehoorzaamheid wordt beloond, nieuwsgierigheid wordt bestraft.


Toen ik op mijn achttiende het ouderlijk huis verliet om fysiotherapie te studeren, liet ik het kerkelijke leven achter me. Ik dacht dat ik vrij was. Maar wat ik niet zag, was dat de verhalen uit mijn jeugd nog diep in mijn cellen gegrift waren. Ik droeg het beeld van Eva met me mee – de vrouw die zondigde, de vrouw die onderdanig moest zijn.


Dat patroon werd pijnlijk duidelijk toen ik lid werd van een studentenvereniging. Het leek een nieuw begin: vrijheid, kameraadschap, volwassenheid. Maar in de praktijk voelde ik vaak spanning om bij mijn studentenvereniging binnen te lopen. Spanning om daar te zijn. Ik herinner me hoe ik me klein hield in de aanwezigheid van de jonge mannen die daar ook lid waren – hoe ik mijn woorden vaak inslikte of zorgvuldig woog, mijn blik naar beneden liet glijden om niet te veel op te vallen. Er zat een angst onder het contact met die jonge mannen die ik toen niet kon benoemen: de angst om zichtbaar te zijn, om tegen te spreken, om mijn eigen kracht te laten zien. Ik dacht dat ik simpelweg verlegen was, maar in werkelijkheid leefde in mij een oud patroon – de echo van generaties vrouwen die geleerd hadden dat veiligheid lag in gehoorzaamheid.


Later, toen ik mijn voormoederlijke lijn begon te onderzoeken, ontdekte ik nog meer. Ik stam af van de Hugenoten – Franse protestanten die in de zestiende en zeventiende eeuw werden vervolgd omdat ze zich afscheidden van de katholieke kerk. Ze werden gezien als ketters, en velen werden op de brandstapel gegooid. De herinnering van vervolging leefde voort in mijn bloed: de angst om aangevallen te worden, om anders te geloven, om het vrouwelijke in het licht te zetten.


In de kerk had ik geleerd dat een mannelijke God het universum schiep en dat Eva slechts was voortgebracht uit de rib van Adam, om zijn eenzaamheid te verlichten. Dat zij verleid werd door de slang, zondigde, en daarmee de oorzaak was van de val uit het paradijs. God strafte haar – en met haar alle vrouwen die na haar kwamen:


‘Ik zal uw smart in zwangerschap vermenigvuldigen; met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen.’ – (Genesis 3:16).


Die woorden kropen diep onder de huid van generaties vrouwen én mannen. Een hypnotisch script dat zich nestelde in het vrouwelijk bewustzijn: dat schepping iets was waarvoor je moest lijden. Dat de vrouw bron van verleiding was, niet van leven. Dat zij moest gehoorzamen om genade te verdienen. En zo ontstond een diepe verwarring: de vrouw als zonde in plaats van als schepper.


‘Want de man is niet van de vrouw, maar de vrouw van de man. Laat de vrouwen zwijgen in de kerken, want het is hun niet toegestaan te spreken; maar hun wordt bevolen gehoorzaam te zijn, zo zegt de wet. En als ze iets leren, laten ze het dan thuis aan hun echtgenoten vragen; want het is een schande voor vrouwen om in de kerk te spreken’- (I Korintiërs 11: 3, 7, 9).


Generaties lang werden deze woorden herhaald vanaf kansels en preekstoelen. Ze legden een sluier van schaamte en schuld over de vrouwelijke kracht, over stem, over lichaam, over verlangen. We werden verondersteld te aanvaarden dat mannen, gesymboliseerd door Adam, het recht kregen om over ons te heersen, om verdere dwaasheden van de vrouw te voorkomen. Zo werd de berouwvolle, onderdanige positie van de vrouw stevig verankerd.


En ik – dochter van die lijn – kreeg onbewust de boodschap mee dat ultieme vrouwelijke creatiekracht betekende: het leven schenken, maar met pijn. Dat het moederschap heilig was, maar het eigen pad offerwaardig.


Pas veel later begreep ik dat dit niet alleen een religieus verhaal was, maar een collectieve energetische imprint: een veld waarin de heilige vrouwelijke levensstroom letterlijk werd omgecodeerd. De oorspronkelijke scheppingskracht – die cyclisch, intuïtief en verbonden is met ritme en natuur – werd vervangen door een lineaire hiërarchie: man boven vrouw, geest boven lichaam, hemel boven aarde.


Dit was het eerste onderzoek. Ik leerde hoe religieuze verhalen de vrouwelijke creatiekracht vormgaven – hoe ze de codes van schepping herschreven tot patronen van schuld en onderwerping.

Het tweede onderzoek - Aanpassing: de prijs van veiligheid

Zo halverwege mijn studententijd voelde ik dat het niet goed met me ging. De studentenwereld overweldigde me. Iedereen leek precies te weten wie ze waren en waar ze voor stonden. Er werd gediscussieerd, gepraat, gelachen, gedronken – en ik probeerde daar zo goed mogelijk in mee te bewegen. Ik lachte op de juiste momenten, paste me aan de groep aan, deed mijn best om erbij te horen. Maar diep vanbinnen voelde ik me een vreemde eend in de bijt. Die onzichtbare spanning – tussen willen voldoen en mezelf niet kwijt willen raken – vrat langzaam aan me. Ik voelde me niet thuis, niet in de groep en niet in mezelf. En precies dát voelde onveilig.


In die tijd begon mijn lichaam signalen te geven die ik niet begreep. Slapeloze nachten, een voortdurend bonzend hart, tintelingen in mijn handen en plotselinge momenten van verlammende angst. Toen kwamen de paniekaanvallen. Onverklaarbaar, rauw, genadeloos. Alsof mijn hele systeem riep: het is genoeg geweest. Ik snapte er niets van. Ik kwam immers uit een liefdevol gezin en had een gelukkige jeugd gehad. Waarom voelde ik me dan zo?


Ik herinner me een nacht waarin de angst alles overspoelde. Het was midden in de nacht toen ik naar het treinspoor fietste. Niet omdat ik werkelijk wilde sterven, maar omdat ik niet meer wist hoe ik moest leven. Ik stapte af, zette mijn fiets uit het zicht en liep naar de rails. Mijn hart bonsde, mijn adem stokte, mijn lijf trilde van binnenuit. Alles in mij wilde ontsnappen aan het onzichtbare juk van aanpassing – aan de eeuwige poging om te voldoen en daar nooit helemaal in te slagen. Maar ergens, tussen mijn tranen en de koude lucht, hoorde ik een fluistering: geef niet op – je lichaam probeert je te laten zien hoe je óók kan leven. Die fluistering redde me. Ik stapte weer op m’n fiets en reed naar huis.


Mijn weg naar herstel begon bij de huisarts. Hij luisterde vluchtig, schreef antidepressiva voor en zei: ‘Want anders komt u op de wachtlijst voor de GGZ, en krijgt u het straks toch.” Ik voelde dat dit niet de weg was die ik nodig had. Ik wilde niet verdoven, ik wilde begrijpen. Wat probeerde mijn lichaam me te vertellen?


Ik nam het heft in eigen handen en boekte sessies bij een particuliere psycholoog. De sessies moest ik zelf betalen, maar ik kon er wel naartoe zonder verwijzing van de huisarts. Maar haar advies was even rigide als dat van de huisarts: ‘Verbreek het contact met je familie.’ Het voelde alsof ik daarmee mijn hele geschiedenis moest wegvagen, alsof mijn roots het probleem waren in plaats van het pad. Ik besloot mijn eigen weg te gaan, hoe zwaar dat soms ook voelde.


De paniekaanvallen werden een poort. Ze dwongen me te luisteren naar de taal van mijn lichaam – iets wat ik tot dan toe nooit had geleerd. Ik wandelde uren per dag; alleen tijdens het wandelen voelde ik rust. En langzaam begon ik te begrijpen dat ik geen stoornis had, maar dat mijn lichaam een herinnering droeg.


Vanuit biologisch perspectief is aanpassing een logisch gevolg van onveiligheid. Wanneer het zenuwstelsel dreiging ervaart – fysiek of emotioneel – schakelt het over op overlevingsstand. De sympathische activatie zorgt voor alertheid, spiercontractie en een verhoogde hartslag: het lichaam maakt zich klaar om te vechten of vluchten. Als dat niet lukt, neemt de dorsale vagus het over: bevriezen, verdoven, afsluiten. Wat ik destijds als paniek ervoer, was in wezen een poging van mijn zenuwstelsel om te ontladen – om spanning los te laten die ik jarenlang had vastgezet.


Psychologisch gezien wortelt aanpassing vaak in vroeg geleerde strategieën. Ik leerde als kind – in de kerk – dat veiligheid afhing van gehoorzaamheid, presteren en zorgzaam zijn. Zo ontstaan gedragspatronen die ooit bescherming boden, maar later juist uitputten. Het lichaam blijft leven alsof gevaar elk moment kan terugkeren. En dat voortdurende gevoel van niet veilig voelen wordt dan onze basistoestand.


De wetenschap begint pas sinds kort te begrijpen wat velen intuïtief al aanvoelden: dat de onveiligheid die we in ons lichaam dragen niet alleen van onszelf is. Onderzoek in de epigenetica laat zien dat ervaringen van stress en trauma sporen achterlaten in ons DNA – niet door de genetische code te veranderen, maar door de manier waarop genen worden aan- of uitgeschakeld. Het lichaam onthoudt wat ooit nodig was om te overleven, en die informatie wordt doorgegeven aan volgende generaties.


Zo kan het zijn dat de stressreacties van onze grootmoeders nog altijd doorwerken in ons eigen lichaam. Wanneer een vrouw leeft in angst, bereidt haar lichaam zich voortdurend voor op gevaar. Dat beïnvloedt haar hormonale balans, haar immuunsysteem en zelfs de genexpressie van haar kinderen. Het lichaam leert: wees voorzichtig, het leven is onveilig. En dat script reist verder door de moederlijn, als een stille overlevingscode.


Als ik terugkijk, zie ik hoe dit patroon ook in mijn eigen familie doorwerkte. Mijn moeder leefde met een diepgewortelde angst om te verliezen wat ze liefhad. Toen ik – als eerste van de vier kinderen – op kamers ging, zei ze: ‘Ik zal altijd ook voor jou een bord op tafel blijven zetten.’ In die ene zin lag haar hele binnenwereld besloten: de moeite om los te laten, de angst dat loslaten verlies van verbinding betekent en het verlangen om te beschermen. En onbewust droeg ik datzelfde mechanisme in mij mee.


Mijn paniekaanvallen waren dus niet alleen mijn paniekaanvallen; ze waren een echo van een ouder systeem. Een lichamelijke herinnering aan de generaties vrouwen vóór mij, die hun adem inhielden om te overleven, die veiligheid verwarden met controle, en die de prijs van hun aanpassing betaalden met het verlies van hun innerlijke rust.


Terugkijkend zie ik dat deze periode het tweede onderzoek vormde: het ontwaken van lichaamsbewustzijn als sleutel tot herstel van innerlijke veiligheid. Niet als mystiek concept, maar als biologische realiteit. Organische creatie ontstaat pas in een lichaam dat zich veilig genoeg voelt om te vertrouwen. Daarbij is veiligheid niet de afwezigheid van angst, maar de aanwezigheid van regulatie – het vermogen om te voelen zonder overspoeld te raken.

Het derde onderzoek - Prestatiekracht: de paradox van het feminisme

Toen ik afstudeerde als fysiotherapeut en mijn paniekaanvallen verleden tijd waren, nam ik mezelf één ding voor: mijn leven, mijn regels. Ik wilde niet meer klein zijn, niet meer stil, niet meer afhankelijk van goedkeuring of toestemming. De wereld lag open – en ik wilde bewijzen dat ik haar aankon.


Ik keek naar vrouwen die mij voorgingen: krachtige ondernemers, leidinggevenden, pioniers. Vrouwen die zich staande hielden in een wereld die nog steeds door mannen werd vormgegeven. Zij waren mijn voorbeelden. Zij lieten zien: het kán. En ik voelde het vuur van feminisme branden in mijn buik.


Maar zonder dat ik het doorhad, brandde dat vuur vanuit een voormoederlijke wond. Onder mijn drang naar vrijheid lag een fluistering van verzet: ‘ik zal laten zien dat ik het alleen kan.’ Ik had geen man nodig. Geen hulp. Geen zwakte. Ik kon alles wat een man ook kon – misschien zelfs beter. Dat lieten de vrouwen naar wie ik opkeek mij immers zien.


Die overtuiging gaf me vleugels, maar het waren vleugels van staal. Ze droegen me omhoog, maar ze maakten me ook zwaar. Ik werkte hard, nam meer verantwoordelijkheid dan goed voor me was, volgde opleidingen, cursussen, trainingen. Elke prestatie gaf even de roes van erkenning – en even later de leegte die vraagt om de volgende. Ik dreef mezelf voort op wilskracht en doorzettingsvermogen. Mijn systeem draaide op prestatiekracht, niet op creatiekracht.


Ik stond voortdurend aan. Alert. Ambitieus. Ik dacht dat ik aan het creëren was, maar in werkelijkheid was ik aan het overleven om te bewijzen dat ik minstens net zo goed was – als mannen, als mijn collega’s, als iedereen. Ik verwarde mijn grenzen met mijn doelen en mijn wilskracht met mijn waarde. Waarde mat ik af aan succes, status en controle.


Tot die ene lenteavond. Na een lange werkdag stapte ik met mijn vriend op de racefiets. De lucht rook naar vers gemaaid gras en het zonnetje piepte zo nu en dan tussen de wolken door. Ik klikte mijn voeten in de pedalen, voelde de wind in mijn gezicht, een kort moment van vrijheid. En toen: een klap. Ik lag op de grond, mijn pols in een onnatuurlijke hoek. Drie breuken, meerdere operaties. Alles wat ik had opgebouwd kwam tot stilstand.


In dat stilvallen gebeurde iets. Onder de pijn van de botbreuken voelde ik een andere pijn – dieper, stiller. De pijn van uitputting. Van – opnieuw – jaren mijn lichaam als instrument gebruiken, mijn vermoeidheid verwarren met zwakte. Pas toen alles letterlijk brak, kon ik voelen hoe uitgeput ik eigenlijk was.


In die stilte begon ik te begrijpen wat ik nu de paradox van het feminisme noem. Wij, vrouwen van deze generatie, groeiden op met de boodschap dat we alles konden worden. We mochten studeren, werken, ondernemen, spreken, scheppen. En dat was bevrijdend – maar ook verraderlijk. Want we leerden onze vrijheid meten in termen van succes, status en onafhankelijkheid. We bevrijdden ons van het keurslijf van huiselijkheid, maar stapten onbewust in een nieuw keurslijf: dat van doen, presteren, bewijzen.


De wereld waarin we onze vrijheid wilden opeisen, was nog steeds gebouwd op mannelijke logica: lineair, doelgericht, competitief. Een wereld die draait op winnen, op resultaat, op vooruitgang tegen elke prijs. En dus gingen we meedoen aan het spel – maar het speelveld bleef hetzelfde. We kregen toegang tot de tafel, maar de spelregels bleven onveranderd. We vochten om gelijkheid, maar de prijs was onze cyclische natuur. We wonnen rechten, maar verloren ritme. We gingen harder lopen, terwijl onze lichamen fluisterden om te vertragen.


Die paradox sloop in alles: in onze bedrijven, waar productiviteit belangrijker werd dan creativiteit; in onze relaties, waar autonomie soms een pantser werd; in onze lichamen, die gingen fluisteren via vermoeidheid, menstruatieklachten en burn-out.


Mijn eigen lichaam werd de spiegel. De breuk in mijn pols was meer dan een ongeluk – het was een symbolische breuk met een manier van leven die niet langer klopte. Want wat er brak, was niet alleen bot, maar een overtuiging: dat ik moest vechten om mijn waarde te bewijzen.


Dit was het derde onderzoek. Ik leerde dat prestatiekracht, hoe bewonderenswaardig ook, een schaduwzijde heeft. Ze verbrandt de energie die bedoeld is om te scheppen. Ze maakt van creatie een strijd, van stroming een sprint. En zolang we onze waarde blijven meten aan wat we doen in plaats van wie we zijn, blijven we los van de originele vrouwelijke creatiestroom.

Het vierde onderzoek - Matrescentie: de overgang naar de moederfase en wat het betekent om wel of geen kinderen te krijgen

Na de breuken in mijn pols begon een nieuw hoofdstuk in mijn leven. Langzaam leerde ik – opnieuw – luisteren naar mijn lichaam, naar zachtheid, naar rust. En precies in die periode begon de overgang naar de moederfase. Het was het moment waarop het verlangen naar een kind zich als een zaadje in mijn hart plantte. Een verlangen zo diep, dat het haast oer leek.


Wat volgde, waren tien jaren van wachten, hopen, proberen, verliezen. Tien jaren van fertiliteitstrajecten: IUI, ICSI, IVF. Van injecties, naar echo’s, naar ziekenhuisgangen, naar medische termen die ik nooit had willen leren kennen. Van hoop die elke maand weer oplichtte – en net zo vaak doofde. Negen keer droeg ik een klein begin in mij, negen keer verloor ik het. Negen keer voelde ik de leegte die volgt op het plotselinge wegvallen van iets wat nog geen vorm had, maar al wél een ziel.


Ik herinner me hoe ik op een dag weer eens in de wachtkamer zat, met mijn handen om een papieren bekertje sterke zwarte thee uit een automaat. De muren waren geel, het licht te fel. Om mij heen vrouwen met hetzelfde verlangen. In gedachten verzonken klonk er in mijn hoofd een stem: ‘Als ik niet eens een kind kan baren, heb ik dan het recht om überhaupt iets te creëren?’ Het was geen rationele gedachte, maar een oud collectief script dat door mijn bloedlijn liep: dat de waarde van een vrouw lag in haar vermogen om leven te baren. Dat creatiekracht zich moest bewijzen in vruchtbaarheid.


Wanneer ik in mijn familielijn kijk, zie ik hoe die overtuiging zich heeft ingesleten. Mijn oma, zo wordt gefluisterd, droeg mogelijk een geheim in zich – dat zij zwanger was van een andere man dan mijn opa – haar eerste liefde die in Indonesië omkwam tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog. Een liefde die haar leven lang in stilte met haar meereisde. Haar moeder, mijn overgrootmoeder, verloor een kindje van twee jaar oud – de reden van overlijden bleef vaag. Men zei dat hij van de commode was gevallen en zijn nek had gebroken. Haar moeder, mijn over overgrootmoeder kreeg een doodgeboren kind. In die verhalen voel ik het collectieve verdriet van vrouwen die leven wilden geven, maar telkens geconfronteerd werden met verlies.


Die pijn nestelde zich niet alleen in hun lichaam, maar ook in het mijne. Ik droeg hun onverwerkte rouw als een onzichtbare erfenis – de overtuiging dat scheppen gevaarlijk is, dat leven baren gepaard gaat met verdriet, dat liefde verlies betekent.


Dit werd voor mij heel zichtbaar toen ik tijdens een plantmedicijnreis de verbinding met mijn oma mocht maken. Mijn oma is op 57-jarige leeftijd overleden aan uitgezaaide borstkanker. Ze liet negen kinderen achter, waarvan op dat moment slechts één – mijn moeder – oud genoeg was om niet meer thuis te wonen. Tijdens die plantmedicijnreis doorvoelde ik de wanhoop en het verdriet van mijn oma: ‘Waarom moet ik mijn kinderen achterlaten? Hoe kan God van mij vragen om ze – zo jong – los te laten?


Ik begreep ineens dat de overtuiging dat leven baren gepaard gaat met verdriet, mij niet alleen belemmerde in het worden van een moeder, maar in alle vormen van creatie. Ik hield mezelf klein uit loyaliteit aan hun verdriet. Ik hield mijn ideeën in, mijn stem zacht, mijn dromen half afgemaakt – alsof mijn vruchtbaarheid alleen waarde had als ze een kind voortbracht.


Maar langzaam begon ik te voelen: mijn baarmoeder is meer dan een fysieke ruimte. Ze is een veld van creatie, een tempel van potentie, een poort waardoor ideeën en werelden geboren kunnen worden.


Rondom mij zag ik vrouwen die wél moeder werden. Sommigen bloeiden op in hun rol, anderen raakten verdwaald. Velen worstelden met dezelfde vraag, alleen vanuit de andere kant: ‘Mag ik creëren, nu ik moeder ben? Mag ik iets willen dat groter is dan mijn gezin? Mag ik mijn eigen pad volgen, zonder schuldgevoel?’


Toen zag ik het patroon helder voor me: of we nu wél of géén kinderen baren, we zoeken allemaal naar toestemming om te scheppen. Om onszelf als bron van creatie te erkennen, zonder oordeel, zonder vergelijking, zonder hiërarchie.


Dit was het vierde onderzoek. Ik begon te zien dat de vrouwelijke creatiekracht niet gaat over dragen maar over doorstromen. En dat elke vrouw – moeder of niet – een poort van schepping is. De terugkeer naar originele creatiekracht betekent dat creatie in al haar vormen heilig is.


Het baren van een kind.        
Het baren van een visie.        
Het baren van een stem.        
Het baren van een nieuw begin.


Of je nu moeder bent van een kind, van een bedrijf, van een droom of van een nieuwe wereld – elke vorm van schepping verdient eer. Want zodra we oude definities loslaten, wordt creatie weer wat ze altijd al was: de stroom van leven zelf, die zich via ons wil uitdrukken in eindeloze vormen.

Het vijfde onderzoek - De pelgrimstocht van herinnering: hoe reizen zorgt voor verbinding met onze matrilineaire voorgeschiedenis

Tijdens het tien jaar durende fertiliteitstraject voelde ik heel sterk de roep om te reizen. Niet alleen als afleiding of avontuur, maar omdat bepaalde bestemmingen me riepen. En dus vertrok ik, zodra de mogelijkheid zich bood. Soms alleen, soms samen met mijn vriend. Soms voor kortere tijd, soms voor langere tijd.


Ik ontdekte dat ik niet zomaar reisde, maar dat ik aan het herinneren was. Onze voorouders waren namelijk nomaden, ontdekkingsreizigers en wisdomkeepers. Vanuit Oost-Afrika migreerden ze in een tijdsbestek van duizenden jaren geleidelijk naar Noord-Afrika, Europa en Azië, vaak onder invloed van klimaatveranderingen. Ze gebruikten de zon als kompas, volgden de ritmes van de maan en de seizoenen en riepen hun voorouders aan voor bescherming en begeleiding. Op hun reis kruisten hun paden die van andere culturen. Wijsheid en kennis werden gedeeld en culturen vermengden zich. Zo ontstond een smeltkroes van culturen.


Die wijsheid is niet verdwenen. Ze leeft in ons DNA – slapend, wachtend tot ze weer wordt aangeraakt. Slechts 3% van onze genetische code is actief; de rest is potentie, onontgonnen herinnering. En juist op die plekken waar de aarde zingt, kan dat slapende weten ontwaken.


Door de plekken te bezoeken die mij riepen, verbond ik me met de oeroude vrouwelijke lijn van de aarde. Niet via boeken of musea, maar door aanwezig te zijn – door te voelen met mijn huid, door te ruiken met mijn neus en door te zien met mijn ogen. Matrilineaire wijsheid laat zich niet lezen, ze laat zich ervaren. Ze leeft in stenen, in energie, in de handen van vrouwen die nog weten.


Elke plaats die ik bezocht, waar ik onderzoek deed en waar ik me werkelijk mee verbond, activeerde een andere herinnering in mij. Kreta – met haar slangen, bijen en stenen tempels – leerde me de tijd kennen waarin vrouwen nog de hoedsters van de schepping waren. Namibië en Uganda brachten me naar een tijd waarin het vrouwelijke niet zacht was, maar krachtig, scheppend, ongetemd. Mexico leerde me over de cycli van leven en dood; daar voelde ik de kracht van de onderwereld niet als iets donkers, maar als de baarmoeder van transformatie. Australië, het land van de Aboriginals, liet me de diepe stilte van de Dreamtime ervaren: het besef dat alles bezield is, dat ieder landschap, iedere steen en ieder geluid een lied draagt. Nieuw-Zeeland gaf me via de Maori-vrouwen een herinnering aan stamkracht en gemeenschap. Zuidoost Azië met haar wierook en tempels, toonde me hoe ritueel het dagelijks leven kan doordringen. In de woestijn van Marokko ontmoette ik de vrouwelijke mystiek – de adem van duizenden generaties vrouwen die in het zand zijn opgelost. Daar leerde ik dat stilte niet leeg is, maar vol herinnering. En op Ameland, mijn eigen noordelijke eiland, hoorde ik de echo van vrouwen die eeuwenlang met de wind spraken en getijden lazen.


Geen enkele bestemming was toevallig. Ze waren knooppunten – nodes – in het veld van herinnering. Zoals het menselijk lichaam meridianen kent, zo heeft de aarde haar leylijnen – haar dragon lines. Langs die lijnen bevinden zich krachtplekken en heilige plaatsen die functioneren als de chakra’s van de aarde. Wanneer je reist, resoneert jouw eigen energieveld – je meridianen, fascia en kristallijne structuren – met de frequentie van de plek waar je bent. Steeds meer wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat mens en aarde niet los van elkaar functioneren. De aarde genereert een natuurlijk elektromagnetisch veld – de Schumann resonantie – waarop ook onze hersengolven en hartslag afstemmen. Wanneer we ons in de natuur bevinden, synchroniseert ons autonome zenuwstelsel letterlijk met dat veld.


Binnen het lichaam vormt de fascia – het bindweefsel dat alle organen, spieren en zenuwen omhult – een fijnmazig communicatienetwerk. Dit netwerk geleidt niet alleen mechanische spanning, maar ook elektrische signalen en biofotonen: zwakke lichtdeeltjes die informatie tussen cellen overdragen. De fascia gedraagt zich daarmee als een intern communicatiesysteem dat vergelijkbaar is met de meridianen uit de Chinese geneeskunde.


Wanneer we op krachtplekken staan of reizen langs de energielijnen van de aarde, kan dit netwerk resoneren met de elektromagnetische frequenties van de omgeving. Wat in spirituele tradities energie-uitwisseling wordt genoemd, begint zo ook vanuit de natuurwetenschap begrijpelijk te worden: het is een samenspel van trilling, geleidbaarheid en informatieoverdracht.


Elke plek riep een ander facet van de originele vrouwelijke blauwdruk in mij wakker: cyclisch leven, gemeenschap, devotie, kracht, stroming, stilte en verbondenheid met de natuur. Samen vormden ze een levend netwerk van herinnering.


In de stilte van oude tempels en de stemmen van vrouwen die ik onderweg ontmoette, hoorde ik steeds dezelfde ondertoon: wij waren er al, vóórdat het verhaal werd herschreven. Het was de stem van de oude matrilineaire wereld – een tijd waarin vrouwelijke creatiekracht nog heilig was, niet verdacht.

Het woord matrilineair komt van mater (moeder) en linea (lijn). Het betekent letterlijk: de lijn van de moeder. In zo’n samenleving werd afkomst, erfenis en identiteit doorgegeven via de moederlijke lijn. Je behoorde tot de clan van je moeder, niet tot die van je vader. Eigendom, status en kennis stroomden via dochters. De voormoederlijn was heilig: zij bewaarde het bloed, de naam en de spirituele erfenis.


In veel van die culturen werd de moeder gezien als de poort van het leven: zij droeg het mysterie van geboorte, voeding en continuïteit van de clan. De vrouw belichaamde de verbinding tussen voorouders en nakomelingen. Het vrouwelijke principe was het middelpunt van de kosmos. Zoals op Kreta, waar de Slangengodin en de Grote Moeder het leven vertegenwoordigden; zoals bij de Irokezen, waar vrouwen het recht hadden om leiders te benoemen en af te zetten; zoals bij de Akan-volkeren in West-Afrika, waar koningschap via de moederlijn werd overgedragen.


Vanuit historisch perspectief verwijst de matrilineaire samenleving naar een tijd vóór het patriarchaat – een tijd waarin orde en samenleven waren gebaseerd op samenwerking, zorg en cyclisch denken. De heilige cyclus van leven, dood en wedergeboorte was het fundament van die wereld, belichaamd door de vrouw.


Terugkijkend begrijp ik dat mijn reizen geen zoektocht waren naar nieuwe kennis, maar een proces van herinneren via aanwezigheid. Door fysiek op die plekken te zijn – met mijn voeten op de aarde, mijn adem afgestemd op haar ritme – kon ik de matrilineaire draad van de vrouwelijke schepping opnieuw in mijn lichaam voelen. De aarde werd mijn teacher, niet via woorden, maar via resonantie. Zo ontrafelde ik de draad tussen micro- en macrokosmos, tussen het persoonlijke en het collectieve, tussen mijn lichaam en dat van de wereld.


Het was het vijfde onderzoek: de terugkeer naar belichaamde verbondenheid met de aarde - met mijn vrouwelijke voorouders, met het levende geheugen van de planeet zelf. Ik leerde dat de originele vrouwelijke creatiekracht niet ontstaat uit denken, maar uit luisteren. Dat creatie niet iets is wat je doet, maar wat zich ontvouwt wanneer je aanwezig bent – met je lichaam, je adem en je ritme afgestemd op dat van de aarde. De aarde leerde me dat alles in het leven voortkomt uit relatie. Zaden ontkiemen niet omdat ze vechten, maar omdat ze zich overgeven aan licht, donker, vocht en tijd. Water stroomt niet omdat het weet waarheen het moet, maar omdat het zijn vorm laat bepalen door bedding. Zo is ook de vrouwelijke creatiekracht niet lineair of doelgericht, maar cyclisch en ontvankelijk. De vrouwelijke creatiekracht is geen talent, geen vaardigheid, geen spirituele prestatie. Ze is de natuurlijke staat van leven. Een stille, pulserende stroom die in alles aanwezig is wat leeft, en die zich herinnert, telkens opnieuw, dat scheppen en luisteren in wezen hetzelfde zijn.

Het zesde onderzoek - De spirituele bypass: het vermijden van verantwoordelijkheid nemen over de vrouwelijke creatiekracht

Na die jaren van zoeken, wachten en loslaten en tegelijkertijd veel op reis geweest te zijn, begon er langzaam iets te verschuiven. Ik had vrede gesloten met het feit dat mijn baarmoeder zeer waarschijnlijk geen kinderen zou dragen, en in dat aanvaarden voelde ik een andere vorm van vruchtbaarheid ontwaken. Mijn scheppingskracht kreeg nieuwe uitdrukkingen: in rituelen, in woorden, in begeleiding van vrouwen. Het was alsof het leven mij liet zien: je kunt moeder zijn van zóveel meer dan kinderen alleen.


Ik voelde de roep om de wijsheid van de vrouwenlijn te helen – om niet alleen mijn eigen verhalen, maar ook die van mijn voorouders te verstaan. En zo begon ik kennis over te dragen over de energetische lagen van de vrouwelijke ervaring: voorouderwerk, karmische astrologie, systemisch werk, werken met kruiden en plantmedicijnen. Het voelde als een poort naar iets groters: alsof ik via elke vrouw die ik begeleidde, een stukje van de oorspronkelijke creatiestroom kon herstellen.


Maar ergens onderweg, zonder dat ik het meteen merkte, begon het te wringen. Wat eerst een innerlijke roep was, bleek een pad vol regels en overtuigingen. Ik had het geloof losgelaten – maar niet het verlangen om ergens bij te horen. En precies dáár, in de schaduw van mijn eigen verlangen naar verbinding, ontstond de volgende winding in mijn spiraal.


Want ook de spirituele wereld bleek een cultuur op zichzelf, met lagen van conditioneringen - een subtiele echo van dezelfde systemen die ik met de kerk dacht achter me te hebben gelaten. Er waren nieuwe dogma’s, nieuwe rituelen, nieuwe codes: ceremonies begeleid je in het wit, in een vrouwencirkel draag je een zwierige jurk, wie met energie werkt drinkt geen alcohol. Het leek allemaal onschuldig, maar in de onderstroom voelde ik iets beklemmends. Alsof we opnieuw een set ongeschreven regels creëerden – niet meer in naam van zuivere vrouwelijke creatie, maar in naam van verlichting. Een nieuwe vorm van zo hoort het, zo doen we het, zo zou het moeten.


En dat is niet vreemd. Wij mensen zijn verhalenwezens. Onze hersenen zijn gemaakt om betekenis te construeren, om patronen te herkennen, om orde te scheppen in chaos. Sinds de cognitieve revolutie vormen we gemeenschappen rondom gedeelde overtuigingen. Wie in hetzelfde verhaal gelooft, hoort erbij. En juist daar ligt de verleiding van spiritualiteit: het gevoel van thuiskomen, van ergens bij horen, van uitverkoren zijn. Maar in dat verlangen schuilt ook het risico van herhaling: dat we onze oorspronkelijke creatiekracht opnieuw uit handen geven – dit keer niet aan religieuze autoriteiten, maar aan spirituele systemen, teachers en concepten.


Het grootste deel van de moderne spiritualiteit is een uiterst verleidelijke vorm die lijkt op overgave en ontwaken, maar is in werkelijkheid vaak een verfijnde omzeiling van verantwoordelijkheid is. Wat ooit bedoeld was als pad van bewustwording, is in veel kringen verworden tot een nieuwe religie van vermijding.


We her-codeerden ‘overgave’ naar ‘niets hoeven doen’. ‘Afstemming’ naar ‘wachten tot het universum levert’. En ‘vertrouwen’ naar ‘geen grenzen hoeven stellen’.


Maar dit zijn geen vormen van ontwaken of verlichten – het zijn vormen van uitstel. Vergeestelijkte taal die emotionele onvolwassenheid verhult: Kun je niet met geld omgaan? Geld is toch slechts energie. Neem je geen verantwoordelijkheid? Ik volg gewoon de stroom. Kun je geen feedback ontvangen? Dat resoneert niet met mijn frequentie. Zulke uitspraken klinken bewust, maar zijn vaak vermomd als een ontwijking van volwassenheid. Er is niets spiritueels aan het ontsnappen aan je menselijkheid. Waar spiritualiteit werkelijk om vraagt is integratie: het deel van jezelf ontmoeten dat je met concepten als ‘manifestatie, ‘trilling’ of ‘lichtwerk’ probeert te vermijden.


Toch merkte ik in de jaren die volgden dat deze vermijding vele gezichten had. Ik zag vrouwen om me heen verdwalen in eindeloze processen van heling. Wat ooit een pad van bevrijding was, werd wat ik ben gaan noemen de eeuwige heling: het geloof dat bevrijding alleen te vinden is in nóg een ceremonie, nóg een opstelling, nóg een regressie, alsof verlichting op hen wachtte aan het einde van een eindeloos proces.


Anderen leken gevangen in het licht-en-liefde-paradigma: waar alles mooi moest zijn, hoog en zuiver. Schaduw werd vermeden, pijn gepolijst, alsof duisternis een fout was in plaats van een poort.


Er waren vrouwen die de guru-bypass belichaamden: zoekend naar hét protocol, dé teacher, dé handleiding, zodat ze niet hoefden te vertrouwen op hun eigen innerlijke stem. Hun verlangen naar zekerheid was vermomd als toewijding.


Ik zag ook de gevoel-als-heilige-graal bypass: waar gevoel werd verheven tot kompas, maar vaak gebruikt werd om ongemak te vermijden. ‘Het voelt niet goed’, zeiden ze – waar bij niet goed voelen soms slechts betekende: het doet pijn om eerlijk te zijn.


Sommigen gleden af in projectie: de oorzaak buiten zichzelf leggen, de teacher, de groep, de partner de schuld geven, waardoor de spiegel van groei onbenut bleef.


Er was angst voor tekort, een haastige, wanhopige drang om te halen: nog een opleiding, nog een ceremonie, nog een activatie, want wat er nú is, voelt nooit genoeg.


En tenslotte was er de kennis-bypass: uitstel in spirituele vermomming. Eerst nóg meer leren, nóg meer weten – zodat belichaming van wat al aanwezig is eindeloos vooruitgeschoven kan worden.


Al deze vormen leken anders, maar deelden één kern: de vermijding van verantwoordelijkheid over onze eigen creatiekracht. Ze hielden de stroom van schepping in cirkels gevangen, een voortdurende lus van zoeken zonder vinden. Zolang we blijven zoeken buiten onszelf, blijft de energie van schepping in rondes draaien in plaats van doorstromen.


In veel moderne spirituele kringen ontstond bovendien een subtiele hiërarchie: de cultus van bewustzijn. Hoe dieper je een bepaalde gemeenschap binnengaat, hoe minder je wordt aangemoedigd om voor jezelf te denken. Kritisch onderscheidingsvermogen wordt bestempeld als ego. Vragen worden gezien als weerstand. Twijfel wordt afgekeurd als ‘lage trilling’. En zo ontstaat een nieuwe piramide van macht – dit keer niet gebaseerd op geloof, maar op frequentie.


En dan is er nog de subtielste verleiding van allemaal: het spirituele ego. Het deel in ons dat zich verheven voelt boven de menselijkheid, dat denkt: ik ben verder, ik ben zuiverder, ik ben ontwaakt. Het is hetzelfde identiteitsspel als bij andere geloofssystemen – alleen dragen we nu yogabroeken en mala-kralen in plaats van kruisen. Het spirituele ego zegt: ik ben voorbij mijn ego, en precies dáármee nestelt het zich dieper dan ooit. Het verleidt ons te geloven dat we vrij zijn, terwijl we slechts onze behoefte aan controle en zekerheid naar een hoger plan hebben getild.


Echt ontwaken is iets heel anders. Het gaat niet over opstijgen, maar over afdalen. Niet over transcendentie, maar over incarnatie. Het echte werk gebeurt niet in de ethers – maar in ons lichaam – in de rauwe eerlijkheid van onze menselijke ervaring. Ontwaken vraagt niet dat we onszelf verlichten, maar dat we het licht durven brengen naar de plekken in ons die we liever niet zien.


Daar, in die afdaling begint de bewustwording. Wanneer we beseffen dat het pad nooit ging over het verlaten van de aarde, maar over het volledig bewonen ervan. We hebben niet méér liefde en licht nodig – we hebben méér eerlijkheid nodig, méér belichaming, méér menselijkheid.


En dat besef was voor mij de kern van dit zesde onderzoek. Ik leerde dat de heilige vrouwelijke creatiekracht pas werkelijk kan stromen wanneer we haar niet langer vergeestelijken, maar verankeren. Wanneer we verantwoordelijkheid nemen voor onze keuzes, onze schaduwen durven ontmoeten, en het goddelijke niet buiten ons zoeken, maar laten ademen door ons alledaagse leven heen.

Het zevende onderzoek - Sisterhood: hoe co-creatie veranderde in concurrentie

Wat ik tijdens de trainingen – die ik inmiddels al jaren aan groepen vrouwen gaf – steeds opnieuw merkte, was hoe moeilijk het voor vrouwen is om werkelijk samen te zijn. Om niet alleen fysiek in dezelfde cirkel te zitten, maar zich ook innerlijk veilig te voelen in die ruimte.


Sommige vrouwen trokken zich stilletjes terug. Ze voelden zich onveilig in de groep, bang om veroordeeld te worden of niet goed genoeg te zijn. Anderen gingen juist de strijd aan: discussies, kleine steken, de behoefte om gelijk te krijgen of beter te lijken. En soms op een nog diepere laag – vrouwen die jaloers werden op elkaar, begonnen te vergelijken, te fluisteren, te roddelen.


Onder al die lagen voelde ik één en dezelfde energie: angst. Angst voor afwijzing, voor verlies van plek, voor de blik van de ander. En ik zag hoe die angst niet alleen individueel was, maar collectief. Hoe ze als een oud geheugen door de groep bewoog – een trilling die ons allemaal raakte.


Het was alsof de cirkel zelf de oude wond opriep: de zusterwond. Eeuwenlang zijn vrouwen opgevoed met het idee dat er maar ruimte is voor één van ons. Dat wie haar hoofd boven het maaiveld uitsteekt, de anderen bedreigt. Dat bewondering gevaarlijk is, omdat ze kan omslaan in jaloezie. En dat verbondenheid riskant is, omdat ze kwetsbaar maakt.


Die oude reflex leeft nog steeds in ons. In onze gesprekken, in onze stiltes, in de manier waarop elkaar aankijken. In de ondertoon van goedbedoelde opmerkingen, in de spanning van het onuitgesprokene. Het is het onbewuste overlevingsmechanisme van generaties vrouwen die moesten bestaan in een wereld waarin samenwerking geen bescherming bood, maar juist gevaar betekende. Wie te zichtbaar was, werd verdacht, wie te vrij was, werd verstoten. En dus leerden we elkaar op afstand te houden – met woorden, met oordeel, met stilte.


Ik wist dat de zusterwond ook in mij leefde, maar het heeft een hele tijd geduurd voordat helder werd op welke manier. Ik had me opgegeven voor een trainingsdag waarop we met roofvogels gingen werken. Buizerds. En nu moet je weten dat vogels altijd mijn grootste angst zijn geweest – het gefladder, de onvoorspelbaarheid, de nabijheid van vleugels. Alleen al daar zijn, was een enorme stap.


Op een gegeven moment was het mijn beurt om met de buizerd te werken. De trainster vroeg me om mijn ogen te openen en de buizerd recht aan te kijken. Ik voelde mijn hart bonzen. De vogel keek terug, scherp, onaangedaan.  ‘Waar ben je bang voor?’ vroeg ze. En met die vraag werd het ineens helder. Ik was bang om aangevallen te worden. Door vrouwen. Door mijn klanten. Door het oordeel dat kan volgen op zichtbaarheid. En daarom gaf ik (te)veel, was ik grenzeloos: altijd in de hoop dat ik daarmee ‘aangevallen worden’ kon voorkomen.


Het was alsof de buizerd mijn angst uit mijn lichaam tilde en me liet zien wat eronder lag: het oeroude instinct om me klein te maken zodat ik veilig bleef. Het moment werd een initiatie in helderheid. De roofvogel als spiegel van mijn eigen vrijheid, en van de angst die ik onbewust had verwarmd met bescherming.


Ik begon te beseffen dat de zusterwond ging over scheiding. Tussen het deel dat wil verbinden en het deel dat zich wil beschermen. Tussen de vrouw die wil delen, en de vrouw die bang is dat delen haar iets zal kosten. Deze innerlijke kloof is niet individueel, maar collectief. Ze loopt als een oude breuklijn door de vrouwelijke psyche.


Want ooit waren we samen. Rond het vuur. In de velden. In de tenten. We zongen, we weefden, we deelden kennis over geboorte en dood, kruiden en kosmos. Tot het moment dat de verbondenheid van vrouwen te krachtig werd voor de orde die heerschappij zocht. Toen werd sisterhood ontbonden. Vrouwen werden van elkaar gescheiden, tegen elkaar opgezet, beschuldigd, verbrand. De herinnering aan samenwerking werd besmet met angst. En sindsdien dragen we, in ons DNA, de echo van verraad.


Deze echo klinkt nog steeds. Wanneer vrouwen elkaar beconcurreren in plaats van bekrachtigen. Wanneer we ons kleiner maken uit angst om te worden afgewezen. Wanneer we onszelf vergelijken, meten of veroordelen. Maar ook wanneer we zwijgen, omdat eerlijkheid ons onveilig lijkt.


Toch geloof ik dat juist hier, in deze breuklijn, de grootste poort tot heling ligt. Want de zusterwond vraagt niet om strijd, maar om herinnering. Om de moed om weer te vertrouwen op het web dat we ooit samen weefden. Co-creatie is de natuurlijke staat van het vrouwelijke veld: we zijn bedoeld om samen te baren, samen te dragen, samen te dromen.


Het vraagt oefening om dat weer toe te laten. Om niet automatisch te sluiten bij jaloezie, maar te openen naar nieuwsgierigheid. Om niet te reageren vanuit tekort, maar te luisteren naar resonantie. Om te herinneren dat er geen concurrentie bestaat in de organische orde van creatie – alleen een veld van overvloed waarin elke vrouw een unieke toon zingt in het grotere lied.


In het ontrafelen van deze wond ontdekte ik dat ware sisterhood niet harmonie zonder wrijving is. Het is een veld van volwassen verbinding, waar waarheid belangrijk is dan comfort. Waar we elkaar niet sparen, maar spiegelen met zachtheid. Waar we elkaars groei vieren zonder onszelf te verliezen. Waar kwetsbaarheid geen zwakte is, maar een poort naar vertrouwen.


Dit was het zevende onderzoek. Ik leerde dat sisterhood niet gaat over samen hetzelfde zijn, maar over het dragen van verschil in liefde. Dat co-creatie alleen kan bestaan wanneer we niet langer creëren vanuit angst voor tekort, maar vanuit het weten dat er genoeg is voor iedereen. Wanneer vrouwen elkaar weer zien als spiegels van kracht in plaats van bedreiging, herinneren we het oorspronkelijke weefsel van verbondenheid. Dan keert de magie van co-creatie terug – niet als strategie, maar als natuurwet. Want wat ooit werd gebroken door angst, wordt geheeld door bewust gekozen sisterhood.

Het achtste onderzoek - De taal van waarde: hoe ons bestaansrecht verweven is met erkenning en ruimte innemen

Het geven van trainingen aan groepen vrouwen, waarin ik – via rituelen, lichaamswerk en energetisch werk – trachtte de originele vrouwelijke creatiekracht te herstellen, voelde als een vervulling van mijn missie, als de natuurlijke uitkomst van alles wat ik had ervaren, geleerd en onderzocht. En toch voelde ik dat er iets begon te verschuiven. De vorm klopte niet meer. De inhoud klopte nog steeds, maar de manier waarop ik werkte, droeg niet langer bij aan het herstellen van de originele heilige vrouwelijke creatiekracht.


En dus nam ik een besluit dat even bevrijdend als beangstigend was: ik stopte met het geven van trainingen. Zonder plan, zonder nieuwe koers, zonder omzet, maar met het vertrouwen dat het leven me zou tonen wat de volgende stap was.


Toen ik na een tijd mijn nieuwe aanbod lanceerde – een nieuwe vorm die weer helemaal uitgelijnd was met mijn missie – gebeurde er niets. Geen enthousiaste reacties. Geen aanmoedigingen of hartjes. Geen klanten, geen samenwerkingen. Alleen stilte.


Het was het digitale equivalent van een lege zaal: ik deelde iets wat voor mij belangrijk was, wat ik tot in mijn tenen voelde, en het leek alsof niemand het hoorde. Het was het krekeleffect – het geluidloze moment na een kwetsbare keuze.


De stilte hield me een spiegel voor. Ze liet me zien hoe afhankelijk ik, onbewust, was geworden van erkenning. Hoe mijn zenuwstelsel gewend was geraakt aan externe bevestiging, aan de geruststelling dat ik op de goede weg was. Hoe ik bij het uitblijven daarvan begon te twijfelen aan mijn waarde en bestaansrecht. En hoe snel ik geneigd was om me aan te passen, om de toon te verzachten, om te bedenken wat ‘beter zou werken’.


Maar juist die stilte bleek een inwijding. Ze dwong me om te blijven staan voor mijn missie, zonder echo, zonder goedkeuring, zonder bewijs. En daar, in dat ongemakkelijke niets, begon ik te voelen wat de invloed van echte autonomie is op de creatiekracht van de vrouw.


Autonomie is geen onafhankelijkheid in de uiterlijke zin van het woord. Het is de innerlijke rust die ontstaat wanneer je niet langer wacht op toestemming. Wanneer je niet langer weegt of iets zal vallen bij de ander, maar voelt dat het klopt in jezelf. Autonomie is trouw blijven aan de innerlijke stroom, ook wanneer de buitenwereld zwijgt.


De originele vrouwelijke creatiekracht vraagt om precies dat: de moed om te creëren zonder goedkeuring, zonder handtekening van de buitenwereld. In haar diepste aard is ze anarchistisch – niet tegen iets, maar vrij van de conditioneringen die bepalen wat goed, mooi of gepast is. Ze beweegt cyclisch, niet lineair, ze volgt de stroom van waarheid, niet van  verwachting.


Wanneer we onze creatiekracht verbinden aan erkenning, raken we verstrikt in de taal van waarde zoals de wereld die kent: zichtbaar zijn, presteren, groeien, voldoen. Maar in de natuurlijke orde van het heilige vrouwelijke ligt waarde niet in wat iets oplevert, maar in wat iets belichaamt. Waarde is niet de uitkomst, maar de integriteit waarmee iets wordt geschapen. Niet langer buiten ons, maar binnenin.


Want zolang we onze koers bepalen op basis van wat anderen van ons vinden, blijft onze creatiekracht voorwaardelijk – ingehouden, aangepast, half geleefd. Pas wanneer we haar losmaken uit dat krachtenveld van goedkeuring, kan ze zich ontvouwen zoals ze bedoeld is.


De stilte waarin niemand reageerde, bleek achteraf een poort. Een uitnodiging om mijn eigen stem dieper te vertrouwen dan ooit. Om te scheppen zonder erkenning, te delen zonder verwachting, te bestaan zonder applaus. Het is de baarmoeder van het bestaan zelf: donker, stil, onzichtbaar – maar doordrenkt van potentie. Daar, in die stilte, begon ik mijn eigen stem te horen, dieper dan ooit. De stem van weten dat niet vraagt om bevestiging, maar eenvoudig is.

Ik leerde dat dit de werkelijke inwijding in vrouwelijke creatiekracht is: niet de zichtbare momenten van succes, maar de onzichtbare momenten van blijven staan. De momenten waarop je hart trilt van onzekerheid, maar je handen toch blijven creëren. Want daar, waar de invloed van erkenning verdwijnt, wordt onze creatiekracht zuiver. Daar, waar stilte niet meer als leegte voelt maar als bron, ontstaat echte waarde.


Dit was het achtste onderzoek. Ik leerde dat bestaansrecht niet iets is wat je kunt verdienen, maar iets wat je mag herinneren. Dat waarde niet voortkomt uit erkenning, maar uit trouw zijn aan je eigen waarheid.


De originele creatiekracht kan pas werkelijk stromen wanneer we niet langer creëren om gezien te worden, maar omdat we voelen dat het leven door ons heen wil bewegen.

Het negende onderzoek - Zuivere creatie: herinneren van de oorspronkelijke blauwdruk van vrouwelijke creatie

Het negende onderzoek, die symbool staat voor de negen maanden van een zwangerschap – de oertijd van creatie – nodigt uit tot terugkeer. Een terugkeer naar het oeroude weten van de aarde, naar de vrouwelijke scheppingskracht die leven ademt in alles wat is. De terugkeer naar zuivere creatie.


Elke winding van mijn spiraal bracht me dichter bij de kern van wat de oorspronkelijke, heilige creatiekracht werkelijk is. Ik begon te begrijpen hoe religieuze verhalen eeuwenlang de codes van die kracht hebben herschreven, en hoe die vervorming nog altijd in ons doorwerkt. Ik ontdekte dat organische creatie pas kan ontstaan in een lichaam dat zich veilig genoeg voelt om te vertrouwen, en dat prestatiekracht – hoe bewonderenswaardig ook – een strijd maakt van schepping. Gaandeweg leerde ik dat elke vorm van creatie eer verdient, en dat creatie niet iets is wat je doet, maar wat zich ontvouwt, wanneer je aanwezig bent met alles wat je bent. De heilige vrouwelijke stroom beweegt niet door intentie of wil, maar door belichaming: door adem, ritme en aanwezigheid. Ze herinnert ons eraan dat we samen het web weven – dat co-creatie alleen kan bestaan wanneer vrouwen elkaar zien als spiegels van kracht in plaats van als bedreiging. En ten slotte begreep ik dat originele creatiekracht pas werkelijk kan stromen wanneer we niet langer creëren om gezien te worden, maar omdat we voelen dat het leven zelf door ons heen wil bewegen. Zo kwam ik aan bij de negende winding van mijn spiraal: de terugkeer naar de originele blauwdruk van creatie.


Deze negende winding bracht samen wat ik al die tijd had gevoeld maar nog niet kon verwoorden. Hier begon het echte begrijpen: niet alleen van de reis die ik had afgelegd, maar van het grotere veld waaruit ze voortkomt – de originele blauwdruk van creatie. Alles wat ik onderweg had onderzocht, leek samen te komen in één helder inzicht: dat er een universele ordening bestaat, en dat wij als vrouwen die ordening in ons dragen.


Om die universele ordening te herinneren, te activeren en te belichamen, gaan we terug naar de vrouwelijke creatiekracht van ver vóór het patriarchaat. Naar de tijd waar in Kanaän, Anatolië, Arabië en zelfs Australië de zon vereerd werd als een vrouwelijke godin, vaak vergezeld door een mannelijke god die de maan vertegenwoordigde. Ook bij de Inuit, de Japanners en de Khasis van India was de zon een vrouwelijke bron. Net zoals in het oude Egypte de hemel als vrouwelijk werd gezien: de godin Nut, en de aarde als mannelijk – haar broer en geliefde Geb.


We gaan terug naar de tijd waarin er verhalen verteld werden over godinnen die niet alleen kinderen baarden, maar de hele schepping zelf. In Sumerië, Babylon, Egypte, Afrika, Australië en China bestaan sporen van godinnen die het leven schiepen, wetten vaststelden, wijsheid brachten en de ritmes van de aarde bewaakten. De Egyptische Maat stond voor orde, ritme en waarheid. Ishtar uit Mesopotamië werd de Vrouwe van Visie genoemd. In de stad Nimrud, waar Ishtar werd vereerd, dienden vrouwen zelfs als rechters en magistraten.


In het herinneren van de oorspronkelijke blauwdruk van vrouwelijke creatie laten we het beeld los van de vrouw zoals wij haar eeuwenlang voorgeschoteld kregen: Eva, de schuldige, de onderdanige. Er bestaat een veel oudere herinnering aan vrouwelijke creatiekracht, een kennis die nooit in de officiële geschiedenisboeken terechtkwam. Want wie schreef de geschiedenis? Juist – de man. In het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland vond ik minder dan tien vrouwen uit de periode vóór het jaar duizend. Bijna alle namen van vrouwen vóór de twintigste eeuw zijn uit de geschiedschrijving gewist. Maar onder die stilte leeft een oudere waarheid, overgeleverd in verhalen, beelden, archeologische sporen én kosmische kennis over creatiemechanica. Op Kreta, zo schrijft archeoloog Sinclair Hood, bleef deze oeroude wijsheid waarschijnlijk het langst bewaard – tot in de klassieke oudheid.


De terugkeer naar zuivere creatie betekent voor mij dat de oorspronkelijke scheppingskracht van de vrouw niet alleen ging over het baren van kinderen, maar over het dragen van de hele levensstroom. Het is een herinnering die niet in boeken staat, maar in onze botten ligt opgeslagen, in ons bloed, in de adem van onze voorouders.


We mogen beseffen dat zuivere creatie niet iets nieuws is dat we moeten uitvinden, maar iets oerouds dat we mogen terughalen. Een trilling, een weten, een veld dat wacht om opnieuw belichaamd te worden. Wij – dochters van dochters – dragen die blauwdruk al in ons.


In mijn werk nodig ik je uit om het veld van originele vrouwelijke creatiekracht stap voor stap te betreden. Ik laat je zien hoe de originele blauwdruk van creatie is opgebouwd en hoe haar lagen elkaar beïnvloeden. Ik vertaal de collectieve creatie-energie, zodat jij die in jezelf kunt verkennen. Ik maak voedende én uitputtende patronen zichtbaar, zodat jij jouw creatiekracht kunt verdiepen. Ik neem je mee naar krachtplekken waar jij jouw originele creatiestroom kunt verankeren. En ik open - samen met jou - een speelveld, waarin jij jouw heilige vrouwelijke creatiekracht kunt vernieuwen.